Het herkennen van een illusie is ook een einde ervan.

Als je ziet wie je niet bent, wordt de werkelijkheid van wie je bent vanzelf zichtbaar.

Als ‘mijn’ speelgoed kapot gaat of wordt afgepakt, komt er een intens lijden op. Niet door enige intrinsieke waarde van het speelgoed – het kind verliest er al snel alle belangstelling voor en de plaats ervan wordt ingenomen door ander speelgoed, andere objecten – maar door de gedachte van ‘mijn’. En zo trekt, terwijl het kind opgroeit, de oorspronkelijke Ik-gedachte andere gedachten naar zich toe: het wordt geïdentificeerd met een sekse, met bezittingen, het door zintuigen waargenomen lichaam, een nationaliteit, ras, godsdienst, beroep. Andere dingen waarmee het zich Ik ïdentificeerd zijn rollen – moeder, vader, echtgenoot, ezv – verzamelde kennis of meningen, voorkeuren en antipathieën, en ook dingen die ‘mij’ in het verleden zijn overkomen, herinneringen die uit gedachten bestaan die het gevoel van een zelf verder definiëren als ‘mijn  en mijn verhaal’. Dit zijn maar een paar dingen waar mensen hun identiteitsbesef aan ontlenen.

De meeste mensen identificeren zich met onophoudelijke stroom van

het verstand, van het dwangmatig denken. Dat is wat spiritueel onbewust zijn betekent. Als je zulke mensen zegt dat er een stem in hun hoofd zit die nooit ophoudt met praten, zeggen ze ‘Welke stem?’, of ze ontkennen het boos, wat de stem is, de denker, het niet-waargenomen verstand. Als een entiteit die bezit van hen heeft genomen.

De inhoud waarmee je identificeert is geconditioneerd door je omgeving, je opvoeding en de cultuur om je heen. Of het kind arm of rijk is of het speelgoed een stuk hout is of een elektronisch hebbedingetje maakt geen verschil voor het lijden om het verlies ervan. De reden dat er lijden optreedt zit opgesloten in het woord ‘mijn’. De onbewuste dwang om je identiteit te versterken door associatie met een voorwerp is ingebouwd in de structuur van het egoïsche verstand.

Een van de meest fundamentele niveaus van identificatie is die met dingen: mijn speelgoed wordt later mijn auto, mijn huis, mijn kleren ezv. Ik probeer mezelf in dingen te vinden, maar slaag daar nooit helemaal in en het eindigt eermee dat ik me erin verlies. Dat is het lot van het ego. Het ego hecht aan dingen in onze consumptiemaatschappij waarin de enige maatstaf voor vooruitgang altijd meer is. Het onbeheerste streven naar meer, naar eindeloze groei, is een stoornis en een ziekte.

Het ego leeft door vergelijking. Hoe je door andere mensen gezien wordt, wordt de spiegel die je vertelt hoe en wie je bent. Het gevoel van eigenwaarde van het ego is in de meeste gevallen verbonden met de waarde die je hebt in de ogen van andere mensen. Je hebt andere mensen nodig om je een zelfgevoel te geven en als je in een cultuur leeft die eigenwaarde tot op de grote hoogte gelijkstelt met hoeveel en wat je hebt, ben je, als je deze collectieve waan niet doorzit, gedwongen de rest van je leven achter dingen aan te jagen, in de ijdele hoop je waarde en de completering van je zelfgevoel daarin te vinden.

Hoe laat je gehechtheid aan dingen los? Dat moet jezelf niet proberen te doen. Dat is onmogelijk. Gehechtheid aan dingen valt vanzelf weg als je je niet meer probeert in dingen te vinden.

Altijd meer willen

Het ego identificeert zich met hebben, maar de bevrediging van bezit is niet groot en duurt maar kort. Er zit een diepgeworteld gevoel van ontevredenheid, van niet compleet zijn, van ‘niet genoeg’ in het ego verborgen. ‘Ik heb nog niet genoeg’, wat voor het ego in werkelijkheid betekent ‘Ik ben nog niet genoeg’.

De gadachtevormen van Ik  en mij, van meer dan, van Ik wil, Ik moet hebben, en niet genoeg horen niet bij de inhoud, maar bij de structuur van het ego.

Wat je ook hebt of krijgt, jij bent niet gelukkig. Je bent altijd op zoek naar iets anders dat meer bevrediging belooft, dat belooft incomplete gevoel van wie je bent aan te vullen en belooft die leegte in je binnenste op te vullen.

Identificatie met het lichaam

Mensen die zich identificeren met hun aantrekkelijke uiterlijk, hun lichaamskracht  of  lichamelijke vermogens moeten lijden als die kenmerken beginnen te vervagen en verdwijnen, wat ze natuurlijk eens doen.

Je niet met je lichaam identificeren betekent niet dat je het verwaarloost, veracht of er niet meer om geeft. Als het sterk, mooi of  krachtig is, kun je van die eigenschappen genieten – zolang als het duurt. Als je je lichaam niet gelijk stelt aan wie je bent, en je schoonheid vervaagt, lichaamskracht afneemt heeft dat geen enkele invloed op je eigenwaarde of identiteit. Als het lichaam begint te verzwakken, kan de vormloze dimensie, het licht van bewustzijn, juist gemakkelijker door de varvagende vorm gaan schijnen.

Niet alleen mensen met een mooi of bijna volmaakt  lichaam zijn geneigd het gelijk te stellen met wie ze zijn.

Het innerlijke lichaam voelen

Probeer B.V. eens je innerlijke lichaam te voelen als je naar iemand zit te luisteren. Het klinkt bijna als een paradox: als je innerlijke lichaam voelt, ben je niet meer geïdentificeerd met je lichaam en ook niet met je verstand. Dat wil zeggen  dat je niet meer geïdentificeerd bent met vorm, maar van identificatie met vorm gaat naar het vormloze, dat we ook Zijn kunnen noemen. Dat is je diepste identiteit.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s